In de Pers
Recent
Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd
Beatrice van der Poel zingt tedere liedjes bij de komische verhalen van Thomas Verbogt
Gezien op 3 maart 2026, Theater Bellevue, AmsterdamRosalie Fleuren
De opzet van Montere Weemoed is eenvoudig. Schrijver Thomas Verbogt (73) dist komische verhalen op uit zijn oeuvre, liedkunstenaar Beatrice van der Poel (59) zingt verstilde liedjes uit dat van haar. Samen vormen ze een olijk duo. Niet voor niets zochten ze na Montere Weemoed, deel II een titel lijkend op die van een ouderwetse jeugdboekenreeks: Montere Weemoed Vliegt Uit!
De eerste minuten lijkt het tweetal nog samen gecoördineerd te hebben. Van der Poel opent met haar lied ‘Montere Weemoed’, als was het een showtune, want op het zinnetje ‘de montere weemoed komt elk jaar’, piept Verbogt de hoek om met een fietshelm op zijn hoofd. De stemming slaat om als mensen beginnen te giechelen. De zangeres kijkt het even aan en zucht: ‘Dat is nou jammer.’
Ook Verbogt vindt het jammer, pakt hij het stokje behendig over, ‘zo’n gezicht met helm’ en hij begint een leuke anekdote over oefenen met dragen van een helm in het openbaar. Vanaf dat punt gaat het spotje op Van der Poel uit bij de beurt van Verbogt, en andersom als het tijd is voor een liedje. Eenvoudig, doeltreffend en pretentieloos. Alleen die keren dat de schrijver tijdens zijn verhalen toch even Van der Poel aanspreekt, moet dat spotje snel weer even aan, wat zorgt voor aandoenlijk technisch gehannes.
De verhalen van Verbogt hebben een licht komisch metrum en hij brengt ze perfect. Met goed timede stiltes, verrassende plotwendingen en schuine blikken weet hij moeiteloos een fijne, gulle lach aan zijn publiek te ontlokken. In zijn herinneringen reizen we naar de vroege jaren zestig in Nijmegen, zijn eindeloze rijlessen door Amsterdam en de biertjes met zijn vroegere buurman in Arnhem: de zanger van Hank the Knife and the Jets.
Tegenhanger vormt Beatrice van der Poel, die met haar lieve, gloedvolle stem tedere liedjes zingt, veelal droevig van inhoud, maar luchtig om te beluisteren. Een geluidsband verzorgt stemmige ondersteuning bij haar akoestisch gitaarwerk: strijkers en zachte tamboerijnpercussie. Vagelijk sluiten de liedjes aan op de verhalen van haar warrig gekapte compagnon, maar op de manier zoals een verhaal over een of ander puntensysteem voor koopappartementen in Amsterdam past bij Brells ‘De stad Amsterdam’.
Dat voelt soms een beetje vrijblijvend. Als Van der Poel zingt ‘Het is wat het is’ en Verbogt een poging doet om de zaken met elkaar te verbinden door te reageren ‘het is juist nooit wat het is, Bé!’ valt extra op dat hij niet inhoudelijk reageert op haar liedteksten, waarvan een aantal lijken te gaan over een immens verlies. Dat stemt nieuwsgierig naar haar verhaal, maar doet niet af aan de mooie bijdragen aan een fijn avondje.
