Vaak, misschien iets te vaak heb ik erop aangedrongen beetje zuinig om te gaan met het woordje `leuk’. We noemen en vinden te snel iets leuk. Leuke trui, leuk kapsel, leuke snack. Aan leuk moet een zekere amusementswaarde hangen. Klinkt veel te theoretisch, maar ik weet even niet hoe ik het anders moet zeggen, ook omdat ik vaag bezorgd ben om mezelf.
Tijdens het natafelen begon iemand, misschien wel de gezondste van ons, ja, hoe dan ook de meest bewuste eter, over het eten van insecten, meelwormen om precies te zijn: “Wordt spoedig de normaalste gang van zaken.” Als veel te vaak denk ik dan: dat zien we tegen die tijd wel, spoedig hoeft helemaal niet érg spoedig te zijn.
Soms is iets bij wijze van spreken en moet je het niet letterlijk nemen. Ik las tragische berichten over PostNL: ze gaan nog minder bezorgen dan nu al het geval is. Dat een brief of kaart die je vandaag post, morgen ter plekke is, heb je al lang uit je hoofd gezet. Het is binnen twee dagen. Binnenkort drie. Als je mazzel hebt. Bij mij ligt het gemiddelde op een dag of vijf. Komt misschien doordat ik nog veel post krijg en ja, meneer moet niet denken dat hij voor een dubbeltje op de eerste rang kan zitten.
In een rapport van de onderwijsinspectie staat dat het slecht gesteld is met de rekenvaardigheden van leerlingen in de onderbouw. Daar hangt ook een conclusie aan: dat ze later niet goed kunnen functioneren in de maatschappij. Over die conclusie denk ik al een tijdje na.
Paar weken geleden ging het over ufo’s die vijftig jaar geleden boven het Friese plaatsje Gorredijk waren gesignaleerd. Niet door één personen, nee, meer mensen. Herinner ik me niets van. In 1974 zat ik in een fase van mijn leven met waarschijnlijk weinig ruimte voor dat soort verschijnselen. Toch vind ik het wonderlijk, want als kind, zeker als ouder kind, kon ik in mijn bedje urenlang piekeren over buitenaards leven. Ik zeg `piekeren’ omdat ik verdwaalde in gedachten zonder dat ik daaruit kwam.
Bij het bericht van de dood van Joan Haanappel dacht ik meteen: legendarisch. Geloof zelfs dat ik het woord hardop uitsprak. Niemand van mijn generatie kent haar naam niet. Niet alleen mijn generatie, Lindsay van Zundert, kunstschaatsster van nu, spreekt vol liefde en bewondering over haar. De rol van Joan Haanappel in die wereld was groot. Graag hoorde ik haar praten, ook commentaar leveren bij wedstrijden, ze was altijd helder en streng, maakte niets mooier of beter dan het was.
Op de fitnessclub moet je altijd beginnen met een kwartiertje op de spinningfiets, een fiets waarop je nergens heen kunt, op een standaard. Warmdraaien. Staan er vier naast elkaar. Vaak zit mijn bevriende buurman naast me. Hij gaat harder dan ik. Heb geleerd dat niet erg te vinden. Hij voetbalt nog één of twee keer per week. Daar zit zijn voorsprong ook.
Kleine dingen kunnen grote dingen zijn. In De Volkskrant lees ik een interview met ex-minister Grapperhaus. Erboven staat dat hij Wilders ongeloofwaardig als minister-president vindt. Vind ik ook.
In de jaren vijftig werd er bij ons thuis nog vaak over de oorlog gesproken. Dat was overal zo. Misschien zeg ik het niet goed, maar het was altijd net alsof ze voorzichtig, beetje bedremmeld, naar woorden zochten, zeker wanneer het ging over dierbaren die niet waren `teruggekomen’.
Als ik een bericht krijg dat me eraan moet herinneren dat ik dan en dan bij de tandarts of mondhygiëniste moet zijn, staat er een QR-code bij. Met de opdracht die na binnenkomst te scannen. Dat apparaatje staat parmantig op de balie waarachter twee vrouwen zitten. Tegen hen zei je in een andere tijd, niet lang geleden, wie je was en waarvoor je kwam. Zij keken dat op een scherm na, meestal moest je iets herhalen, bijvoorbeeld je geboortedatum, en daarna kreeg je een compliment: “Helemaal goed.” Gevolgd door: “Neemt u daar maar plaats. Dan wordt u geroepen.”