Toen mijn moeder was gestorven, bijna twee maanden geleden, moesten we een beslissing nemen over de muziek die tijdens haar uitvaart ten gehore gebracht zou worden. Eén liedje was meteen duidelijk: `Sammy’ van Ramses Shaffy. Toen het populair was, tweede helft jaren zestig, zei ze dat we dát bij haar begrafenis moesten draaien. Dat beloofden we. Ze was toen nog jong, alles was anders, onze levens, de wereld. Toen het door aula klonk, kwam het moment dat ze dat vroeg, sterk terug. Ik hóórde haar meezingen met Shaffy.
Het is niet goed, denk ik, maar soms heb ik zin ver uit de buurt te blijven van héél veel. Natuurlijk moet ik me bezighouden met de steeds groter wordende groep mensen die elkaar om de haverklap beledigen, niet zo’n beetje ook. Wil er niets mee te maken hebben, maar dat kan niet. Wat ik wil, is niet altijd mogelijk. Als ik zeg wat ik wil zeggen over de mensen die elkaar tot op het bot beledigen, ben ik misschien ook wel beledigend bezig en lees ik dat ik mijn kop eraf moet of zoiets.
Woensdag scheurde ik een artikel uit deze krant waarboven stond: `Castratie kat goedkoper in tuincentrum’. Stom, maar toen ik die kop voor het eerst zag, las ik over het woord `kat’ heen en vroeg me af of ik iets gemist had. Dat je dus als man ook naar een tuincentrum kan, als je behoefte voelt gecastreerd te worden. Niet dat ik me in zo’n behoefte herken, maar je staat nergens meer van te kijken. Maar toen zag ik `kat’ staan.
Wat zijn er toch veel organisaties waarvan je geen weet hebt! De Organisatie voor Economisch Samenwerking en Ontwikkeling bijvoorbeeld. Je gaat meteen een beetje in de houding staan. Die organisatie heeft onderzocht hoe het met het Nederlands onderwijs zit. Dat valt tegen, wat niet aan het schoolsysteem ligt, want dat is een van de beste van de landen die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling onder zijn hoede heeft, als je het zo mag noemen.
De columniste Ebru Umar heeft zich na een beklemmende periode weer door de openbaarheid bewogen, en wel tijdens de Libelles Zomerweek in Almere. Daar interviewt ze politici. Ze noemt het een ideale plek voor haar comeback. Ik citeer uit een interviewtje met haar in De Volkskrant: `Dit is het Nederland waar ik van hou. Hier zijn alleen maar aardige en vriendelijke mensen die insluiten in plaats van buitensluiten. Hier komt de backbone van de Nederlandse samenleving: geen quinoa-etende Randstedelingen, maar de gemiddelde doe-maar-normaal-Nederlander.
Waar ik blij om ben is dat ik niets gewoon vind. Dat beschouw ik niet als een verdienste, het is een manier van leven. Altijd gaat het erom hoe je naar iets of iemand kijkt, hoe je luistert, hoe je nadenkt over het alledaagse dat je overkomt. En na een paar seconden weet je al dat niets is wat het lijkt te zijn. Er is altijd wat meer aan de hand. De gewoonste zaak van de wereld bestaat niet.
In mijn omgeving ben ik de enige die zich verzet tegen het continu bereikbaar moeten zijn. Met dat verzet voel ik me onderhand belachelijk, zelfs oud wanneer tijdens een gesprek het telefoontje lawaai begin te maken en ik zeg: `Je hóeft niet te reageren.’ Het is een nare opmerking, maar toch denk ik dat het waar is, maar ik heb geen zin meer erover te praten.
Hoe vaak heb ik nu een kleine interne verbouwing meegemaakt? In huis, bedoel ik, niet in mijn lichaam. Weet ik niet meer en ik snap ook waarom ik het niet meer weet, want ik probeer ze telkens razendsnel te vergeten. Ik zeg nu wel `kleine verbouwing’, maar die bestaat niet. Iedere verbouwing is groot, ook al gaat het, zoals nu hier, om één kamer. Die ene kamer is tijdens een verbouwing toch het hele huis.
Je hoort niet zo vaak meer dat iemand een kletsmajoor wordt genoemd. Misschien is het een te ouderwets woord. Net zoals smulpaap. Een kletsmajoor is een lulhannes geworden en een smulpaap een vreetzak. Toch denk ik nog vaak: wat een kletsmajoor. Sommige woorden raak je niet kwijt.
In een artikel dat ik lees over de hoogste baas van Albert Heijn, Dick Boer (zulke namen komen steeds minder voor) staat een citaat van oprichter Albert Heijn: `Een kruidenier is een vriend van iedereen en handelt in de goede dingen des levens: hij hoort voortdurend in zijn nopjes te zijn.’ Zoiets zegt niemand meer, niet alleen om er nauwelijks nog echte kruideniers zijn.