Mijn moeder overleed eergisteren in de vroege ochtend. Mijn zusje belde om half zes: `Ze zeggen dat we moeten komen.’ Met `ze’ bedoelde ze de mensen van het hospice waar mijn moeder haar laatste dagen doorbracht. Even later zat ik in de auto. Het was nog donker, het verkeer kwam kalm op gang. Terwijl ik te hard reed, besefte ik ineens dat ik bezig was op tijd thuis te komen. Mijn moeder was niet meer thuis, maar in een omgeving die zo hartverwarmend was dat het haar huis had kunnen zijn.
Soms zijn er signalen die erop wijzen dat het nog steeds niet héél erg slecht gaat met ons land. (Als `dit land’ schrijft, heb je er kritiek op. `Ons land’ heeft iets dierbaars.) Het zijn nooit echt belangrijke signalen, maar ze zijn er wel. Bijvoorbeeld dat het maandblad LINDA ook een blad voor mannen gaat uitgeven. Eén keer per jaar, want het moet natuurlijk niet te gek worden. Binnen de kern van mijn vrienden- en kennissenkring ben ik de enige die een groot voorstander van Linda de Mol is, maar haar blad ken ik nauwelijks.
Het is de tweede keer dat ik in een ambulance meerijd. De eerste keer is in Heerlen, de geboorteplaats van mijn moeder. Daar zijn we om Sinterklaas te vieren, maar dan word ik ineens erg ziek. Van die ambulance herinner ik me alleen het geluid van de sirene. En de vlammende pijn in mijn hoofd. Ik ben bijna drie. En ook herinner ik me de hand van mijn moeder. Die houdt de mijne vast. Later vertelt mijn moeder vaak dat ze dacht dat ik doodging.
Het is de tweede keer dat ik in een ambulance meerijd. De eerste keer is in Heerlen, de geboorteplaats van mijn moeder. Daar zijn we om Sinterklaas te vieren, maar dan word ik ineens erg ziek. Van die ambulance herinner ik me alleen het geluid van de sirene. En de vlammende pijn in mijn hoofd. Ik ben bijna drie. En ook herinner ik me de hand van mijn moeder. Die houdt de mijne vast. Later vertelt mijn moeder vaak dat ze dacht dat ik doodging.
Het is een afwijking, maar zolang ik het me kan herinneren dacht ik meestal na over wat er tegen me gezegd werd. Dat is niet altijd handig. Je kunt daardoor bijvoorbeeld niet meteen met alles meedoen.
Al de tweede dag van april, het jaar begint op te schieten, ik moet sommige zaken niet voor me uit blijven schuiven, vooral niet de zaken die ik `kleine dingen’ noem. De lente vraagt immers om een grote schoonmaak.
Graag lees ik over de stroopwafelbakker die 47000 euro subsidie ontving om met die stroopwafels aandacht te vestigen op het Oekraïnereferendum. Telkens zegt dat hij geen winst maakt, maar dat die subsidie alleen de kosten dekt. Hij meldt er niet bij dat hij zelf de grootste kostenpost is, maar dat geeft niet. Als je de boel zo openlijk oplicht, is het beslist amusant.
Het liet me niet onberoerd toen ik vorige week de Rolling Stones op Cuba zag landen. Zeker niet toen ze daarna gevieren op de vliegtuigtrap vriendelijk poseerden en zwaaiden. Ik hoor dat er mensen zijn die dan een beetje smalend zuchten: wat zijn ze oud. Zoiets komt niet in me op, nee zeg.
Als ik een volle kamer binnenkom (verjaardag) begroet ik een vriendin en die zegt: `Je gulp staat open.’ Ik knik en zeg dat we dit soort dingen altijd tegen elkaar moeten blijven zeggen. Hoort ook bij de zorgzame samenleving.