“Fijne dagen!” Hoe vaak hoorden we die wens deze week? Graag wil ik altijd fijne dagen, maar de komende twee moeten fijner dan fijn zijn. Is misschien best hard werken.
Waar ik zo nu en dan aan terugdenk is dat ik als kind het liefst zo laat mogelijk naar bed ging. Opblijven, ja, dat is het woord: “Mag ik nog even opblijven?” En als dat mocht, was het een triomf waarvoor je nauwelijks woorden had. Opblijven! Nooit vroeg naar bed. Want dat was het altijd: als je naar bed moest, was het veel te vroeg.
Vreemd dat het woord van het jaar me nog nooit opgetogen heeft gestemd. Nooit dacht ik: wat fijn dat dit is toegevoegd aan de woorden die we al hadden. Hoe meer woorden, hoe beter, dat natuurlijk wel, onze zeggingskracht wordt er sterker van.
Vorige maand stuurde een vriend me een bericht door uit Brussel. Ging over de Smurfen, stripfiguren die ik ken uit mijn kindertijd en van Vader Abraham en die me nooit konden boeien. Het bericht interesseerde me echter. Op muren in Brussel worden veel striphelden geëerd. Ze staan daarop groot afgebeeld. Een actiegroep verzet zich tegen de muren die vrouwonvriendelijk zijn, bijvoorbeeld de muur met de Smurfen.
Ver weg, Ridderkerk. Ben er nog nooit geweest, zou ook niet weten waarom. Ik ken zelfs niemand die het ooit over Ridderkerk heeft. Toch spat er een bericht uit vandaan dat je enige tijd bezighoudt: “Man overleden na ontploffing vuurwerk.”
Vorige week moest ik in een theater voorlezen uit mijn nieuwe boek. Daar was ook Suzanna Jansen die De omwenteling schreef. Over het gevecht dat vrouwen vorige eeuw moesten leveren om als `gewoon mens’ te worden behandeld. Ze las een passage voor waarin haar moeder van haar vader eist dat hij minstens één keer per week kookt.
Er zijn van die verschijnselen die zich telkens weer voordoen. Ze zijn niet van het hoogste belang, maar hebben iets irritants en ook fascinerends. Bovendien zijn ze niet te verklaren. Bijvoorbeeld een ding dat je zojuist nog in handen had en ineens nergens meer te vinden is, terwijl je het wel nodig hebt, waterpomptang, dopje van de tube tandpasta. Of kledingstukken die in de was verdwijnen. Besmeerde snee brood die op de grond valt en dan altijd op de besmeerde kant.
Ineens besefte ik weer dat het me nooit is gelukt een hobby te hebben. En Kuifje dan? Ik verzamel toch spullen die met zijn avonturen te maken hebben? Ja, is zo, maar dat beschouw ik niet als een hobby. Ik heb ook veel boeken, maar dat is ook geen hobby. Hoort bij mijn manier van leven. Ik vind het ook prettig en vooral makkelijk voldoende geld te verdienen, maar dat noem ik ook geen hobby.
De kerstsfeer zit er behoorlijk in. Dan heb ik het niet alleen over de bont verlichte bomen en andere fascinerende kerstversiering. Ik las een artikel over het iets te grote aanbod van ballen voor de boom, ballen die geen ballen meer zijn, maar kleine vleugelpiano’s of hotdogs. Gisteren zag in de trein het eerste kerstpakket op de schoot van een man die ernaar keek alsof het ieder moment kon exploderen.
Ja, het probleem met excuses is dat het niet alleen maar een woord mag zijn, niet alleen iets wat je uitspreekt. En dan ook zeker niet denken dat daarmee een kwestie uit de wereld is. Als excuses uit het hart komen, en dat is te voelen, is dat het begin van een nieuwe fase. We gaan soms te nonchalant met excuses om: “O, als ik je beledigd heb gisteren, mijn excuses, hoor.” Dat is niks. Daar hoort enige uitleg bij.