Op de dagen rond Dodenherdenking en Bevrijdingsdag denk ik altijd aan hoe mijn ouders, hun vrienden, mijn grootouders en hun vrienden over de oorlog spraken. Toen ik me bewust werd van die gesprekken, terwijl de betekenis ervan niet altijd tot me doordrong, was ik een jaar of zes, de jaren vijftig naderden hun einde, de wederopbouw leek iets minder in volle gang dan daarvoor en de oorlog was nog steeds maar kort geleden.
Rommelmarkten vind ik aantrekkelijk, niet eens om er van alles te kopen. Nee, je loopt langs dingen die een rol hebben gespeeld in levens, je kunt je ook een voorstelling van de levens maken, en daar ga je over nadenken en dan denk je ook beetje na over jezelf: over wat je mooi of belangrijk vond en ineens niet meer. Wat zou je wegdoen als er een rommelmarkt in de buurt was?
Vervelend zinnetje: “Ik mag niet klagen.” Soms zeg ik het, het is eruit voordat ik er erg in heb, en dan schrik ik, niet zo’n beetje ook: ben even uit mijn doen. Ik voel me ouder worden, met ontevreden mondhoeken en verslappend haar. Ook meen ik een geur te ruiken van licht bederf.
Op het woord `uitdaging’ ben ik zuinig. Wordt te vaak gebruikt en het woord lijdt daaronder, zoals ooit het woord `leuk’ waarvan haast niets is overgebleven. `Beleving’ heeft het ook moeilijk! Zo zijn er nog wel een paar, meer dan een paar helaas. Goed, uitdaging. Ben nog steeds in Italië en sta in een oude kruidenierswinkel met een zeer oude, maar fier ogende kruidenier achter de toonbank. Aan hem is te zien dat de tijd die hij als de tijd van zijn leven beschouwde, een andere is dan die van nu. Zijn fierheid kan een diep melancholieke oogopslag niet verhullen.
Hoe ik er terechtkwam, weet ik niet meer, is jaren geleden, maar ineens zat ik in een sterk naar schoonmaakmiddel ruikende nieuwbouwwoning bij een mevrouw die zacht over mijn achterhoofd en nek wreef. Kort door de bocht: ze had gaven die voor een normaal mens niet te bevatten zijn. Misschien zat ik er wel uit nieuwsgierigheid. “Je hebt problemen met afscheid nemen,” zei ze nadat ze mijn hoofd even had losgelaten. Ik wist niet of ik dat moest bevestigen of ontkennen, daarom hield ik mijn mond.
Pasen is een week voorbij, maar gisteren kwam ik toch in een paasverhaal terecht, sóórt paasverhaal. Ik ben niet thuis, maar in Italië, in de regio Piemonte, op een heuvel vanwaar ik uitkijk over een zachtmoedige en stille wereld. Aan de achterkant van het huis ligt een groot, glooiend grasveld met prachtige, ja, poëtische bomen en gistermiddag plantte de eigenaar er nog een bij. Ik heb niet veel verstand van de vrije natuur en praat haast nooit over bomen, terwijl ik er toch een groot liefhebber van ben, in álle seizoenen.
Nooit bij hem gegeten! Eerste wat ik dacht toen ik hoorde dat topkok Jonnie Boer plotseling was overleden. Had natuurlijk moeten zijn: jammer, want leek me een aardige man. En wat jong! Ik begreep dat hij zich aan het terugtrekken was uit zijn restaurant De Librije in Zwolle om samen met zijn vrouw Thérèse te gaan genieten op Bonaire.
We kennen het vast allemaal: er is iemand gestorven, familielid, vriend, dierbare kennis, je hebt veel met de overledene meegemaakt en op de uitvaart kom je iemand tegen die zegt dat die het familielid, vriend of dierbare kennis nog vlak voor zijn (m/v/x) dood gesproken heeft en dat die toen zei - en dan kom er iets wat je he-le-maal niet wist en daar voel je je nogal ongemakkelijk bij: hoezo, ik ging toch heel vertrouwelijk met hem om, we wisten alles van elkaar, wat we ook vaak zeiden: `Ja, wat bijzonder hè, dat we alles van elkaar weten.’
In de hete zomer van 1974 was ik in Rome op bezoek bij een vriend van mijn ouders. Hij was filosoof en priester en had een hoge functie binnen het Vaticaan, een omgeving die hij fascinerend vond, maar tegen de autoritaire starheid ervan voelde hij ook weerzin: “Het duurt zeker nog een eeuw voordat er hier wat verandert dat van wezenlijk belang is.”
Je moet het ijzer smeden als het heet is, er al dus wel een uitgever zijn geweest die al tijdens de paasdagen Pieter Omtzigt belde: “Zeg, u schrijft toch wel een boek over uw tijd in de politiek en graag alsjeblieft over het laatste jaar.” De heer Omtzigt zei geschrokken dat hij hier uiteraard even over moest nadenken, maar daarmee liet de uitgever zich niet van de lijn jagen: “En daar moet u dus niet te lang over doen, want u weet hoe dat gaat: ons geheugen voor politici is vrij beperkt, u wordt snel een vage herinnering.”