Wat allemaal kan en mag, weet ik niet, maar ze vervullen me altijd met tintelende herinneringen, de groepjes eerstejaarsstudenten die ik door de stad zie lopen of fietsen. Ze verkennen die stad, voor het merendeel van hen onbekend, ze verkennen hun nieuwe leven. Introductiedagen, zo heet deze tijd. De mijne waren ongeveer vijftig jaar geleden, niet onvoorstelbaar ver weg. Voordat ik eraan begon, zag ik er vaag tegenop, waarschijnlijk omdat ik van alles moest doen wat anderen voor me bedacht hadden. Daar hield en houd ik niet zo van, ik bedenk het liever zelf, toen ook al.
Interessant een gesprek te lezen met oud-generaal Peter van Uhm. Hij pleit voor maatschappelijke dienstplicht voor jongeren: dat ze iets gaan doen voor de samenleving, in ieder geval tijdelijk. Hij voegt eraan toe: “En geef de lastige maar aan mij. Daar kunnen wij bij defensie wel mee omgaan.” Toen ik zelf jongere was (wanneer houdt die status op?) had ik vast bezwaar gevoeld tegen deze bonkige suggestie, mild gezegd, maar nu zit ik te knikken.
Avond ervoor waren we naar The Rolling Stones in de Amsterdam ArenA geweest, een bevriend collega, Thomas Rosenboom, en ik. Daarna hadden we veel bier en iets te veel Jack Daniël´s gedronken om het opwindende optreden te vieren. De nieuwe dag was slecht begonnen. Om half acht moest we in een radioprogramma zijn, want: “Wat leuk, twee schrijvers met dezelfde achternaam die naar de The Rolling Stones zijn gegaan.” Gesprek duurde nog geen vijf minuten en de voornaamste vraag was of we de Stones niet erg oud vonden (`ouwe lullen’).
Een amusante uitdrukking vind ik: een te grote broek aantrekken. We weten allemaal wat voor ervaring een te grote broek oplevert. Je voelt je ongemakkelijk, je loopt de hele tijd aan de broek te sjorren, maar daar wordt het allemaal niet beter van. Iemand vraagt: “Is er iets?” Dan zeg je niet: “Ja, een te grote broek aangetrokken.” Want dat is je eigen schuld en daarover praten we niet van harte.
Als ik lees dat iets zo simpel is dat zelfs kinderen op de basisschool het kunnen begrijpen, voel ik verontrusting grommen met als kerngedachte: dan snap ik het vast niet.
“Je moet echt nog in Duitsland tanken, want daar is het goedkoop.” Advies neem ik serieus, maar ik ben nature niet iemand die fel op koopjes uit is. Kan ik verder niet verklaren. Maar nu moet het wel: ben vanuit Denemarken op weg naar huis, een drukke zaterdag met veel files en de tank is bijna leeg. Word ik onrustig van, want ik stel me voor dat ik benzineloos in zo’n file doodstil sta, in Duitsland nog wel waar veel automobilisten van erg hard rijden houden.
Een jaar of vijf was ik. Bij ons thuis tintelde een feestje. Er waren ooms en tantes op bezoek en vrienden en vriendinnen van mijn ouders tegen wie ik ook oom en tante zei. In een hoekje van de kamer bladerde ik door een geïllustreerd tijdschrift. Naast me zat een nichtje, we keken samen, we konden nog niet lezen. Ze was even oud als ik. Er stond een groot stuk in over de ramp met de Titanic, toen ook al erg lang geleden. We wisten niet dat het schip zo heette, maar de tekeningen die in het tijdschrift stonden, vertelden ons wat ermee gebeurde.
Tijdens de gesloten coronadagen waren we gedwongen vaak pakjes te bestellen, want in de gewone winkels konden we niet terecht. Met gewone winkels bedoel ik winkels met een deur en iemand die vraagt: “Kan ik u helpen?” We winkelden zonder die hulp en daarom moesten we de gang van zaken meteen na de ontvangst van het pakje evalueren en cijfers geven aan het contact met de pakjeswinkel, wat ik altijd een nutteloze bezigheid vond. De bedoeling was natuurlijk dat er een band ontstond tussen jou en het bedrijf. Zoiets blijft niet zonder gevolgen.
De Deense dokter vindt het beter als ik een dag zo min mogelijk loop. Klein dingetje met mijn voet, niet ernstig, alleen lastig. Ik zeg dat ik naar Louisiana wil, een van mooiste musea ter wereld, in de buurt van Kopenhagen. Ik ben er al eens geweest en denk daar graag aan terug. De Deense dokter juicht mijn voornemen toe en zegt dat er bij de kassa rolstoelen staan. Ze is blonder dan de zon, heeft oranje gymschoenen aan en legt een hand op mijn onderarm: “Is maar voor een dag.”
Van vrolijkheid ben ik een groot voorstander, altijd, overal. Maar er moet geen dwang achter zitten. Uit mijn kindertijd herinner ik me: “Kijk eens vrolijk!” Kon ik weinig mee, ik werd er zeer nerveus van. Later kreeg die aansporing een variant: “Je mag best wat vrolijker kijken.” Hoor ik nog weleens, voor mij meteen aanleiding een straatje om te gaan. Het kan heel goed zijn dat ik vrolijk ben, maar helaas niet zo kijk. Je kunt trouwens niet in alle omstandigheden vrolijk kijken, zeker niet als iedereen om je heen hartstikke ernstig is.