Niets is lang geleden, maar ik weet niet meer wanneer het was: borrel op de uitgeverij waar mijn boeken verschijnen, toen nog in een straat naast het Rijksmuseum in Amsterdam, namiddag in de vroege zomer, de ramen zijn open. We staan voor een van die open ramen te praten, een paar collega’s en ik. Wij kijken niet naar buiten, daarvoor hebben we het veel te druk met onszelf, totdat een van ons zich plotseling omdraait en zegt “Wat…?”. We draaien ons ook om, naar het open raam, en zien wat zijn aandacht trok.
De namiddag vind ik het mooiste tijdstip van de dag, ik geloof al mijn hele leven, ook toen ik verslaafd was aan de dynamiek van de nacht. De stilte van de nacht is me trouwens ook dierbaar en de vroege ochtend is evenmin te versmaden, maar de namiddag staat op één. Er is dan al veel gebeurd, maar de dag kan nog het nodige in petto hebben. Vaak ga ik even naar het café op de hoek. Daar lees ik de avondkranten, als ik daar aan toekom. Het café heeft immers hoge ramen en ik kijk ook graag mijmerend naar buiten.
De namiddag vind ik het mooiste tijdstip van de dag, ik geloof al mijn hele leven, ook toen ik verslaafd was aan de dynamiek van de nacht. De stilte van de nacht is me trouwens ook dierbaar en de vroege ochtend is evenmin te versmaden, maar de namiddag staat op één. Er is dan al veel gebeurd, maar de dag kan nog het nodige in petto hebben. Vaak ga ik even naar het café op de hoek. Daar lees ik de avondkranten, als ik daar aan toekom. Het café heeft immers hoge ramen en ik kijk ook graag mijmerend naar buiten.
Soms ben je geneigd de avondklok in de horeca een intuïtieve maatregel te vinden. Als ik ondernemer was, zou ik me ook getergd voelen, maar dat heb ik meestal wanneer de redelijkheid van een gang van zaken niet me niet helemaal helder is.
We horen het onszelf zeggen: “Aardige mensen daar in die winkel”. Het valt op en dat is jammer, nee, niet dat die mensen aardig zijn, maar dat het uitzonderlijk is. Gelukkig niet al te uitzonderlijk, maar uitzonderlijk genoeg om het bijzonder te vinden.
Al een paar maanden is onze straat autovrij. Tot vorige week maandag was het alsof we in een klein dorp woonden, een dorp dat er ineens was en waaraan we stamelend wenden. Vorige week was er van de autovrijheid niets meer te werken. Kon geen auto meer bij, zo mag ik het wel zeggen. Die waren van werkers die de gasleidingen kwamen vernieuwen, indrukwekkende bezigheden.
Eergisteren stond in deze krant een artikel met in de kop de woorden: “Blijven balen heeft geen zin.” Ik knikte voorzichtig en zag toen een foto van de hoogleraar sociale- en cultuurpsychologie van de Nijmeegse Radboud Universiteit, Ap Dijksterhuis, die de geluksprofessor wordt genoemd. Telkens wanneer ik dat noteer, bevangt me lichte jaloezie, want dat wil ik ook zijn, geluksprofessor. Er staat een foto van de professor bij, ons ferm toelachend boven een tafelvoetbalspel dat met bladeren is gevuld, mooi beeld, zeker voor een herfstgevoelig persoon als ik.
Interessant, nee, lastig dat het een beetje mis zit tussen het kabinet en het Outbreak Management Team. Het team adviseert de regering hardere maatregelen te nemen, maar daar voelt de regering (nog) niets voor, bang voor impopulariteit en gezeur. Dus eerst een tijd zeggen: “We willen het liever ook anders, maar onze adviseurs zeggen…” en dan ineens die adviezen niet meer helemaal serieus nemen. Gang van zaken die zo oud is als er inspraak bestaat: denken dat je een duit in het zakje mag doen en dat mag je ook, maar er wordt niet naar geluisterd.
De horeca verwijt premier Rutte dat hij weinig kennis heeft van de branche. Hij veronderstelt immers dat restaurants niet getroffen worden door de vroege sluiting. Directeur van Koninklijke Horeca Nederland, Dirk Beljaarts, is het daar niet mee eens, wat ons niet verrast.
Sommige alledaagse vragen zijn moeilijk te verdragen. Op één staat: “Is er iets?” Bij mij is er meestal iets op het moment dat die vraag wordt gesteld. Op twee: “Wat ben je toch allemaal aan het doen?” Je staat een kastje aan de muur te bevestigen. Dat lukt niet. Kastje valt voor de tweede keer en er komt ook een stuk muur mee. Dan dus de vraag: “Wat ben je toch allemaal aan het doen?” Op drie: “Gáát het?” Die vraag is vervelende familie van “Wat ben je toch allemaal aan het doen?” maar komt vaak nog slechter uit. Je bent een fiets over een hek aan het tillen.