O ja, vorig jaar was er in deze tijd de avondklok. Veel mensen vonden dat lastig, ik niet zo. De avonden waren overzichtelijker dan daarvoor. Bezoek bleef niet zitten tot het eerste ochtendlicht, zelf hoefde je je ook niet af te vragen of je er nog even uit zou gaan, je verzette je zinnen gewoon thuis. Ik zag natuurlijk ook wel de nadelen: ons leven werd er kleiner door. En benauwender. Er kwamen minder avonturen op je pad.
Kan een lichte vorm van liederlijkheid niet verfrissend zijn voor de vaderlandse politiek? Met vrolijke afgunst neem ik altijd kennis van Britse schandalen, de premier die met werkgerelateerde borrels op volle kracht op zijn ondergang afstevent. Uitstekende uitdrukking ook: werkgerelateerde borrels. Hoor je hier haast nooit iets over, alles blijft keurig.
Als de Haringvlietsluizen gesloten worden, weten we dat het binnenblijven geblazen is. Ze zijn er pas vijftig jaar, maar als ze op slot gaan, is die waarschuwing steviger dan code oranje of geel. Kan het mis hebben, maar volgens mij waren die codes er vijftig jaar geleden nog niet. Nee, de Haringvlietsluizen! Ook wel genoemd: de kraan van Europa. Ja, dan hébben we het ergens over.
Tijdens de tweede feministische golf werd ik volwassen en vond ik een plekje in de verwarde samenleving, in de jaren zeventig, in Nijmegen. Dat laatste moet erbij, want daar was de feministische golf meer dan alleen maar een golf. Geen tsunami, maar kwam er wel een beetje bij in de buurt. Wanneer je als man de deur voor een vrouw openhield, kon je al een hengst voor je kop krijgen, want dan was je in gedachten vast met grensoverschrijdende vrouwonvriendelijke activiteiten bezig.
In Nederland zijn de mooiste beroepen van de wereld te vinden. Wat bijvoorbeeld te denken van een werkgelukcoach. Geruststellend te weten dat die bestaan. Ik las een artikel over baaldagen en daarin komen werkgelukcoaches aan het woord. Veel mensen vinden de zaterdag een aangename dag, daarom is er alle ruimte even bij de baaldag stil te staan, want voordat je er erg in hebt is het weer maandag.
Benieuwd hoe over een maand of tien of volgend jaar op de coronatijd terugkijken. En dan ga ik er vanuit dat die tijd voorbij is, kan best zijn dat het nooit helemaal het geval is, misschien ben ik weer belachelijk optimistisch. Toch denk ik er graag over na. “Weet je nog dat om tien uur ’s avonds het leven van die dag voorbij was.” “Weet je nog dat we elkaar nauwelijks mochten aanraken?” “Weet je nog dat we niet bij onze ouders op bezoek konden?”
Je moet uitkijken als je ergens lacherig over wilt doen. Voordat je er erg in hebt ben je aanstootgevend fout bezig en kun je het pand beter verlaten om in de frisse buitenlucht weer bij zinnen te komen. Ik heb het met wat ik over het sprookje Sneeuwwitje en de zeven dwergen hoor. Daar wordt opnieuw een film van gemaakt, maar daartegen is protest gerezen. Die dwergen kunnen niet meer. Te ouderwets en ook discriminerend.
Een stem achter me, stem van een vrouw: “Stel dat ik een vrachtwagen was.” Natuurlijk draai ik me om, een vriendelijke vrouw die in geen enkel opzicht de associatie met een vrachtwagen oproept. Maar ik snap wat ze bedoelt. Ik sta midden op straat op mijn mobieltje te turen. Dat komt doordat me ineens iets te binnen schoot, om precies te zijn een afspraak die ik misschien vergeten was, best belangrijke afspraak, ook dat nog. In lichte paniek greep ik het mobieltje uit mijn jaszak. En toen stond die vrouw achter me.
Niet alles hoeft zinvol te zin. Lekker dit op te schrijven. En in wezen een zinnige opmerking! Misschien gaan we vanavond op weg naar het Nieuwe Normaal dat vaag moet lijken op het Oude Normaal van twee jaar geleden. Moet het anders zeggen: misschien wordt het leven vanaf morgen wat makkelijker, minder benauwend. Dan is er ook meer ruimte voor dingen en verschijnselen die niet echt belangrijk hoeven te zijn.
Nuttig is het zo vroeg mogelijk te beginnen met het bepalen van je grenzen. Na de ranzige ellende in omroepland, viel er de afgelopen dagen veel over te lezen. Zo zag ik in Trouw een stuk waarboven stond: `Leer je kind al nee te zeggen tegen de natte zoenen van een tante’. Ik knikte instemmend, maar tegelijkertijd dacht ik: we moeten niet overdrijven. Maar misschien heb ik zoiets helemaal niet te denken.