Soms had iets belangrijk kunnen zijn, terwijl het dat niet werd. Valt in veel gevallen ook niet meer terug te draaien. Zo was ik graag een muzikaal kind geweest. En niet zo’n beetje muzikaal ook, zeg maar een toptalent. Dat was er allerminst aan de hand. Ik blies een zwak partijtje mee op de fluit in de schooldrumband, maar dat was te pover voor woorden. Of ik toen de ambitie had er meer van te maken, weet ik niet. Nu is het een beetje achteraf gepraat.
Erg is het als je er ook nog over moet praten. Over het weer, bedoel ik, over de warme warmte. Vooral als je je moet verontschuldigen. Gisterochtend kom ik terug van de sportschool, lekker bezweet, om het zo maar eens te zeggen. ‘Je lijkt wel niet goed bij je hoofd!’ zegt een man die een piepklein hondje uitlaat. Het zijn woorden die om een reactie vragen, maar die moet ik zoeken. Volgens mij is het best verfrissend zo nu en dan niet goed bij je hoofd te zijn.
Tijd van intense bedrijvigheid is het, in de grote en kleine wereld, nare bedrijvigheid, maar gelukkig ook aangename, in ieder geval redelijk aangename. Sportieve bedrijvigheid bijvoorbeeld en belangstellende bedrijvigheid voor die sportieve bedrijvigheid, vroegzomerse bedrijvigheid, beetje onduidelijke politieke bedrijvigheid, je hebt je handen eraan vol.
Vaak betreur ik het dat ik niets van wiskunde begrijp. Dat begrip is me ook niet aan te leren. Er is hier sprake van een onoverbrugbare afstand, een diep, gapend gat. Tijdens de laatste jaren van mijn schooltijd werd het vak gegeven door een sympathieke leraar die mijn onvermogen begreep. Hij vond het ook niet erg. Met een fijne list loodste hij me tijdens het eindexamen door het gesprek met de gecommitteerde. Ging over meetkundige problemen, meen ik.
Wat ontzettend jammer dat Wim T. Schippers is overleden. Nederland kan niet meer rekenen op zijn hoogst amusante ontregeling die bovendien ook nog tot luchtig nadenken stemde. Jammer maar helaas, moet je dan natuurlijk zeggen, een uitdrukking die hij niet zelf bedacht, maar wel vaak gebruikte. We zijn inmiddels gewend geraakt het ook te zeggen. Net als gekte. Wel door hem bedacht.
Een woord dat een beetje verstoft in een glazen kastje tentoongesteld ligt, is `goedmoedig’. Of goedmoedigheid. Je hoort het nog maar zelden. Misschien heeft het ook wel iets tuttigs, terwijl ik dat zelf helemaal niet vind. Nog nooit kwam in gesprekken zo vaak aan de orde dat we in een nare tijd leven. De grote wereld geeft geen aanleiding tot opluchting, de kleine ook niet. Niemand zegt sussend: ‘Valt wel mee.’
Zaterdag zag ik aan een huis nog steeds de vlag die donderdag al was opgehangen, met een rugzak eraan. Is het nog steeds zo dat het officieel niet mag, een vlag na zonsondergang? Maakt niet uit, daar in huis was de opluchting over de succesvol voltooide schooltijd zo groot dat de triomf niet lang genoeg kon duren. Misschien hangt die vlag er nog steeds. En morgen ook nog. Totdat de zomer halverwege is en het geslaagde kind uit huis gaat om eindelijk aan de toekomst te beginnen. Het besef dat er dat aan de hand is, kan tijd nodig hebben.
In mijn directe omgeving is van manosfeer geen sprake. Misschien moet ik zeggen dat die er nog niet in is doorgedrongen. Niet dat we allemaal van die deugneuzen zijn, nee zeg, maar mannen doen niet raar over vrouwen en andersom ook niet. Of ik moet uitleggen wat ik met `raar’ bedoel, weet ik niet.
Mij gebeurt het vaak: de herinnering is er al, maar ik kan hem nog niet vinden. Bijna altijd een áángename herinnering. Ik weet dat die in de buurt is, maar waar? En ik weet ook dat er cadeaupapier omheen zit en dat ik hem voorzichtig moet uitpakken. Als ik het te ongeduldig doe, gaat er misschien iets stuk. Begon al toen ik wist dat het Nederlands elftal in Kansas City ging verblijven. Basiskamp, dat is het woord. Dinsdagavond zagen we het vliegtuig daar landen. Bondscoach Koeman: ‘We hebben een sterk elftal. Het is moeilijk te verslaan.’