Gisteren begon de Week van de Mentale Gezondheid. Ik moet nog naar de juiste instelling zoeken. Bestaat er ook een Week van de Fysieke Gezondheid? Vast, er zijn weken voor alles wat van belang is. Misschien dom, maar de Fysieke Gezondheid vind ik wat concreter wanneer het om de aanpak ervan gaat. Voorbeeldje: je stelt overgewicht vast. Had je eerder kunnen doen, maar in zo’n Week druk je jezelf sterk met de neus op de feiten. Je besluit er iets aan te doen, in ieder geval die Week. Helder.
Soms is het nuttig jezelf hardop toe te spreken. Niet alleen in gedachten, nee, je moet het goed horen. “Stel je niet aan.” “Zou je daar onderhand niet eens mee ophouden?” “ Moet dat ook nog?” Dat soort zinnetjes. Een belangrijke is: “Waarom zou je dat doen?” Je spreekt je dan eigenlijk niet toe, maar stelt hardop een vraag, maar die heeft enorm te maken met jezelf toespreken.
De woordspelingen komen hard aan, maar het doel heiligt de middelen. Ik heb het over twee studenten van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen die tegroetbonnen uitdelen. Zo willen ze stimuleren dat mensen elkaar op straat weer wat vaker groeten. Van alles wat de samenleving vriendelijker kan maken, ben ik een groot voorstander. De studenten noemen een groetgraag iemand een groetzak. Als ik mag kiezen tussen tegroetbon en groetzak, dan maar de bon. Hun initiatief moeten we omhelzen, dwars door de woordspelingen heen.
Hééft wat even zeer concreet middelpunt te zijn van een zorgzame samenleving. Moest er wel wat voor doen: aangereden worden door een scooter. Ik zat op de fiets en kwam van rechts, maar dat laatste zegt niet zo veel. De scooter reed hard, maar dat doen alle scooters. Was mijn tweede aanrijding als fietser. De eerste keer vloog ik door de lucht en dat duurde best lang, ik bedoel dat ik de plek zág waar ik terecht zou komen, tussen een stuk of tien kwetterende Italiaanse toeristen.
“O jongens, daar is Thomas. Die legt het allemaal uit.” Bedrukkende aankondiging. Wat is de kwestie? Christelijke feestdagen! In mijn familie waarvan ik de koude kant ben, wordt er met vraagtekens tegenaan gekeken en ik, met mijn degelijke rooms-katholieke opvoeding, ben een man met antwoorden. Vind ik niet erg, heb goede herinneringen aan die opvoeding en nam er ook veel van mee. Daarom doe ik over christelijke feestdagen helemaal niet raar en afstandelijk.
De vraag hoe het met je gaat is bijna altijd te groot. We zouden ermee moeten ophouden: de steller van de vraag merkt het vanzelf wel. Een antwoord kan zijn: “Best goed. Ik heb de boel op orde.” Klinkt uitstekend, maar het probleem in dat antwoord is het té globale woordje `boel’. Wat is de boel precies? Of ongeveer?
Je treft ze niet alleen in de SGP aan, mannen in degelijke zondagse pakken en met sterk geordend haar die alles, maar dan ook álles zeker weten, je komt ze ook in het wild tegen. Toen ik zaterdag de ingang van een park passeerde, zag ik er twee van wie ik meteen dacht: moeten die niet in Nieuwegein op het partijcongres zijn? Ze waren ernstig met elkaar in gesprek, met zware stemmen. Er stonden ook twee vrouwen bij, dienstbare verschijnselen met een overzichtelijk leven.
Laat ik meteen maar zeggen dat ik makkelijk praten heb. Doe het niet graag, maar heb het soms. Ik kan er niet onderuit weer over grensoverschrijdend gedrag na te denken. Nu dus van dirigent Jaap van Zweden, hier en daar gesprek van de dag. Vorige week werd er aan de bel getrokken over het advocatenechtpaar Knoops. Ging niet over hem, vooral over haar. Ook hard praten. En beledigen. We horen er niets meer over, maar we weten niet wat er vandaag gebeurt.
Met vragen waarvan ik weet dat het antwoord erop niet bestaat of even zoek is, houd ik me het liefst niet bezig. Er zijn uitzonderingen, zoals `Hoe te leven? Of `Hoe moet het vandaag?’, het antwoord daarop is er niet, maar soms valt er toch iets over te zeggen. Vraag die ik al een tijdje vermijd is `Wat voor land is Nederland?’ of `Wat voor land is Nederland gewórden?’.
Sympathieke uitdrukking: een oogje toeknijpen. Dus net doen alsof je iets niet ziet. Gaat nooit om wat ergs, grensoverschrijdend gedrag bijvoorbeeld, nee, kleinigheidje. Toen ik nog een erg jonge leerplichtige was, werd het soms tegen me gezegd. Ik had iets gedaan wat niet helemaal de bedoeling was (bleef zich altijd voordoen in mijn leven), maar ik veroorzaakte er geen schade mee. En dan zei de leerkracht het: “Voor deze keer knijp ik een oogje toe.” Dan begreep ik heel goed: niet nóg een keer.